In 1987 promoveert Harry Coenen op het proefschrift “Handelingsonderzoek als exemplarisch leren”. Hij werkt hierin een onderzoeksbenadering uit die zich op een aantal essenties onderscheid van het dominante onderzoeksmodel in de Sociale Wetenschappen.
Onderscheidende principes binnen de methodologie van exemplarisch handelingsonderzoek zijn:
- De relatie tussen de onderzoeker en onderzochte is principieel gelijkwaardig en beiden hebben een eigen expert rol. Hierin is de onderzochte expert over zijn eigen sociale werkelijkheid en deze kennis is gelijkwaardig aan die van de wetenschapper. Een wetenschappelijke analyse is pas adequaat als deze niet alleen door de onderzoeker, maar ook door de onderzochte wordt onderschreven: het principe van wederkerige adequaatheid;
- Een vertrouwensrelatie is voorwaarde voor goede wetenschappelijke én niet wetenschappelijke kennis. Zonder een vertrouwensrelatie geven mensen geen inzicht in hun daadwerkelijke handelen en drijfveren, en is een goede analyse hiervan ook niet mogelijk;
- De zelfreflectie en verantwoording van wetenschap naar de onderzochte praktijk. Wetenschap moet zich altijd, vooraf en achteraf verantwoording afleggen over haar bedoelingen, inzet en aanpak. Dit geldt ook voor onbedoelde gevolgen van haar handelen;
- De samenhang tussen individueel handelen, maatschappelijke structuren, culturele betekenissen en economische waarden. Individuele, sociale culturele en economische aspecten zijn altijd aan elkaar verbonden en moeten ook in samenhang worden onderzocht;
- Door het veranderen van de sociale werkelijkheid leer je haar ook kennen. Kennisontwikkeling en de werkelijkheid zijn niet statisch. Zij kunnen dus ook allen maar in haar dynamiek worden gekend.